Volleybal spelregels in een overzicht
In het klassieke volleybal spelen twee teams met elk 6 spelers tegen elkaar met als doel: de bal in het speelveld van de tegenstander plaatsen, waardoor er niet meer wordt teruggespeeld. Om dit voor elkaar te krijgen mogen de spelers van een team de bal maximaal drie keer aanraken. Een team krijgt een punt als de bal binnen het speelveld van de tegenpartij op de grond landt of als een speler een fout maakt.
Puntentelling
Om een set te winnen, moet een team 25 punten behalen met telkens 2 punten voorsprong. Bij een gelijke stand in een set wordt het spel voortgezet totdat er een voorsprong van 2 punten is behaald.
Bij 3 gewonnen sets wint een team de hele wedstrijd.
Bij een gelijke stand (2:2) wordt een 5e set gespeeld (tiebreak). De 5e set wordt slechts tot 15 punten gespeeld en eindigt wanneer een team twee punten voorsprong heeft en daarmee de wedstrijd wint.
Opslagtechnieken
Opslag: De opslag of service brengt de bal in het spel. Deze wordt met de hand of arm over het net op de helft van de tegenpartij gespeeld. Er bestaan verschillende varianten:
Onderhandse service (gecontroleerd balcontact, bal vliegt in vlakke boog de lucht in)
Float-service (onvoorspelbare ‘loop’ van de bal)
Topspin-service (sterke voorwaartse draaiing en daling van de bal)
Spring-service (speler springt tijdens de service hoog op en slaat de bal de lucht in)
Toetsen: Hierbij neemt u een actieve houding aan. U beweegt naar de bal toe en heft uw handen. Maak een kommetje met uw handen en laat de duimen naar uw neus wijzen. Raak de bal kort aan, speel hem gecontroleerd boven uw hoofd, strek uw lichaam en wijs de bal na met uw armen. Hierdoor kunt u de bal nauwkeurig verder spelen.
Passen: Deze techniek wordt meestal ingezet om de bal aan te nemen of onderhands toe te spelen. In dit geval zakt u door uw knieën en strekt u uw armen lang naar voren. Met uw onderarmen vormt u een ‘speelbord’ om vlakke, snelle ballen gecontroleerd aan te nemen en door te spelen.
Aanvalsslag: Deze techniek wordt ook ‘smashen’ genoemd. Na een snelle aanloop van 2-4 stappen springt u met kracht van de grond, u brengt uw arm omhoog, buigt uw lichaam en slaat de bal naar voren.
Blokkeren: Dit is een defensieve slag, dichtbij het net. U springt met gestrekte armen omhoog en probeert de aanval van de tegenstander direct te blokken.
Volleybalveld
Het speelveld is 18 x 9 meter en wordt door middel van een net in twee helften verdeeld. Het gedeelte vlak achter het net wordt de voorzone genoemd en is met een lijn gemarkeerd. Het gedeelte erachter heet de achterzone.
Fouten
De volgende acties worden als fouten gezien:
Een speler raakt de bal twee keer achterelkaar aan.
De bal wordt tegen of onder het net geslagen.
Een speler raakt het net aan.
Een team maakt meer dan drie keer balcontact.
Spelposities
Bij volleyballen zijn de posities precies vastgelegd:
Spelverdeler:kondigt spelacties met handgebaren aan en leidt het team
Passer/loper: verdediging en aanval
Libero: aannemen en afweren van ballen (vooral lage ballen), draagt een outfit in een andere kleur ter herkenning
Midblokkeerder: blokkeert dichtbij het net, heeft een goede sprongkracht en conditie nodig
Middenaanvaller: speelt snelle ballen door het midden
Diagonaalspeler: de aanvaller van het team
Meer uitvoerige spelregels vindt uin het competitieregelement van de Belgische volleybalbond: https://www.volleybelgium.be/reglementen/reglementen/